Eeuwig in verandering

Deel dit artikel via
Geschatte leestijd: 6 minuten

De enige constante in een organisatie is verandering, schrijft veranderkundige Jaap Boonstra. Nu ik een dagje ouder word kan ik daarvan meepraten. Ga met mij mee op een reis door de tijd.

In 1991 werkte ik in een bibliotheek in Amsterdam-Noord. Een fijne plek, waar je boeken kon lenen, kon deelnemen aan jeugdactiviteiten, informatievragen kon stellen en kranten kon lezen. Het kleine maar drukke filiaal was net geautomatiseerd. Maar de imposante mainframe computer ging regelmatig down en dan brak de pleuris uit. Stiekem genoot ik daarvan, want nood breekt wet. Het was dan pompen of verzuipen en dat schiep ruimte voor initiatieven en experimenten.

Ik sta hier aan de innamebalie in Nieuwendam, met het instabiele GEAC uitleensysteem

Gevestigde orde

De collega’s die het voor het zeggen hadden stamden uit de bloeitijd van het bibliotheekvak. In de jaren ’70 hadden zij de toen nieuwe hbo-opleiding gevolgd. Ze bewaakten hun fundamenten en bestreden de vermeende uitholling van hun vak. De nieuwlichterij die de nieuwe directeur introduceerde, bekeken zij met argusogen. Dat was begrijpelijk, want hij streefde naar een lager opleidingsniveau in de directe dienstverlening. De werkzaamheden in de filialen werden vereenvoudigd. De massa’s hb0-geschoolde bibliothecarissen vochten om de weinige ‘bibliotheektechnische’ werkzaamheden die overbleven. Ze zagen met lede ogen hoe er steeds meer geautomatiseerd en gestandaardiseerd werd. Nieuwe medewerkers wierf men op mavo/mbo-niveau en voor hen kwam er een nieuwe, eenvoudiger bibliotheekopleiding.

Ik was in 1991 een van de laatste ‘overgekwalificeerde’ medewerkers die nog een vaste aanstelling kregen. Als jongste medewerker, behorende tot een generatie die vrijwel afwezig was in de organisatie, was ik min of meer buitenstaander. Ik was de ‘verbaasde kabouter’ in het team, en stelde soms regels en procedures ter discussie die in mijn ogen inefficiënt of klantonvriendelijk waren. Vaak waren dat compromissen tussen oude en nieuwe logica’s, tussen analoge en digitale werkwijzen. Zo bleef naast de geautomatiseerde reserveringen nog jarenlang een omslachtig systeem met kaarten in gebruik. De twee systemen zaten elkaar in de weg en sommige klanten moesten eindeloos op hun boek wachten. Toch duurde het jaren voordat zo’n oude werkwijze definitief het veld ruimde.

De seventies

De gevestigde orde had het moeilijk met het no nonsense-regime van de nieuwe directie, en dan voerde ik als jonkie ook nog eens strijd met ze, van opzij en van onderop. Maar deze generatie was in de jaren ’70 natuurlijk zelf óók jong, groen en kritisch begonnen. De twintigers van die tijd  voerden hun eigen strijd tegen de toenmalige machthebbers. Hilarische voorbeelden daarvan zijn te lezen in het iconische boek Werk. Martin Schouten interviewde in 1976-1977 tientallen mensen, werkzaam in de meest uiteenlopende beroepen. Zij vertellen over “hun vak, hun baas, hun collega’s, hun publiek en over hun leven – wat ze zich ervan voorgesteld hadden en hoe het geworden is,” zo vermeldt de kaft. De interviews lijken opgetekend zonder al teveel redactiewerk en de geïnterviewden nemen geen blad voor de mond.

Geniet met mij mee van de dynamiek in de Openbare Bibliotheek Amsterdam in die jaren. Lees bijvoorbeeld hoe de jonge jeugdbibliothecaresse Neeltje Stork een knellende procedure omzeilde:

Toen ik de jeugdafdeling had moest ik dus boeken kopen op zo’n boekbespreking. Ik had een keer een boek uitgezocht dat ik hebben wou, een platenboek over treinen. Bij mij in de buurt was een school bezig met een project over treinen, maar het was niet zo’n bijzonder boek en ik was het enige filiaal dat het wou hebben, er stonden grote platen in en dat had ik nodig. Toen werd er gezegd: sorry, we gaan dat boek niet alleen voor jouw afdeling aanschaffen, want dat moet dan helemaal in het systeem worden ingewerkt en dat is het geld niet waard.

Toen heb ik dat boek zelf gekocht en ik heb het mijn afdeling ten geschenke gegeven. Ik stuurde het als geschenk naar de boekbewerkingsafdeling, het werd ingewerkt en toen kwam het voor de tweede keer op de boekbespreking. Want geschenken gaan ook via de boekbespreking. Nou! Daar staat dat boek alweer! Hoe komt dat hier? Ja, zei ik, dat komt van mij, ik heb het mijn eigen filiaal ten geschenke gegeven. Nou! Heilige verontwaardiging. Godverdomme! Dit is nog nooit gebeurd, dat je eigen assistentes achter je rug om boeken aanschaffen, dit is werkelijk te slim en te link om los te lopen. Toen had ik het dus wel heel erg verbruid, daarmee heb ik me een hoop tegenwerking op mijn hals gehaald.

Censuur!

In een ander fragment lezen we hoe er tegen collectievorming en censuur aan werd gekeken, in een tijd dat de verzuilde samenleving één geheel probeerde te worden. De richtingenstrijd rond de fusie met de rooms-katholieke openbare bibliotheek, is… nou ja, verrassend te noemen:

Dat is nog een hele strijd geweest. Want die openbare bibliotheek had dus eerst wel degelijk een opvoedkundig principe, dat je de mensen een beetje cultuur bij moet brengen. Dat was het sfeertje toen ik er bij kwam werken. Maar toen is er een fusie gekomen met de katholieke openbare bibliotheek en die hadden dus boeken als Angélique, een en al drama. Bij ons stond dat niet in de bibliotheek, dat was afgekeurd als slechte rotzooi. Pim Pandoer en Pietje Bell, dat was er helemaal niet, maar dat was wel in die katholieke bibliotheek. Dus toen die fusie er door kwam moesten ze veren laten, moesten ze deze boeken ook binnenhalen. Eindeloze discussies zijn daarover geweest. Dat was met de strips precies hetzelfde: hele oorlogen van dames die ervoor en dames die ertegen waren. Maar het was niet te stuiten, het kwam toch binnen.

En toen kwam op een gegeven moment het sexboek, dat is een enorme vlaag geweest. De kaartjes van de sexboeken waren na een week al krom en beduimeld, die boeken gingen dus heel regelmatig weg. Je kreeg ook dat boek Variaties. Dat werd vrij kalm ontvangen, maar we werden er wel over aangesproken als het op de aanwinstentafel lag. Dan werd tegen ons gezegd dat het schokkend was en dat we zoiets niet op tafel konden zetten. Dan zeiden we: ja goed, dat hebben wij niet in de hand, dat komt van hogeraf en het schijnt nou eenmaal te moeten, maar we zijn het volkomen met u eens, dat kan ook eigenlijk niet. Ja ja, dat is toch wel vervelend voor u dat u dat soort boeken moet uitlenen. Die serie is afgesloten met een boek vol variaties voor homofielen en lesbiennes, dat stond ook op de aanwinstentafel. Een dame stond dat hevig geïnteresseerd in te kijken, zag dus al die houdingen, en die draaide zich om naar haar man en zei: ‘Leo, weet je – ze zoenen mekaar ook nog.” dat soort dingen te zien, dat vond ik wel spannend.

Maar al dat suikergoed, leesvoer was het. En daar moest je ook aan omdat de subsidie op een gegeven moment gekoppeld werd aan het aantal leden en uitleningen. Daarvoor moesten we dus ook wel een klein beetje aanschaffen wat het publiek wou, want daar werd om gevochten hoor; het werd commerciëler. Je mocht eerst maar drie boeken meenemen en toen mocht je onbeperkt meenemen, want hoe meer uitleningen hoe meer subsidie. Dus gingen de mensen met zulke stapels weg en ze kwamen na een week ook met dezelfde stapels terug. Dat hadden ze beslist niet gelezen, dat was waanzin. Ik werd er stapelgek van, je moest alleen nog maar boeken in de kast zetten, je had geen tijd meer om vragen te beantwoorden. Als je ’s avonds thuiskwam en je lag in bed, dan lag je nog die boeken op te ruimen. En in de uitlening liep je eigenlijk alleen nog maar de mensen af te snauwen, als ze lastig werden. Terwijl, in het begin dat ik er werkte kon je nog alle aandacht aan ze besteden. Dan kwam er zo’n klein mannetje, gebogen en oud: heeft u nog een paar detectives? Dan zocht je wat detectives en dan kreeg je een zakje bonbons van hem en dan kwam hij drie weken later weer met een zakje bonbons. Je besteedde aandacht aan zo’n man, hoe het ging met zijn been en zijn kleinkinderen. Dat vond ik het fijnste van het vak.

Huiskamer

En sommige dingen zijn van alle tijden. Lees in dit laatste fragment over de huiskamer van de stad:

Die bibliotheek schijnt in de levens van een heleboel mensen een hele vaste plaats in te nemen. Het is een soort café, een sociëteit. Echt van: vrijdagmiddag ga ik naar de bibliotheek om Vrij Nederland  te lezen, of de Groene of de Haagse Post. Het is een huiskamer en een stamcafé. In Geuzenveld, waar toentertijd nog helemaal geen jongerencentrum of café was, zag je aan de leestafel hele romans van jongelui die mekaar daar vonden. Afspraakjes in de bibliotheek.

Ik had er al eens een paar keer opgemerkt: je moet er een flipperautomaat neerzetten en coca-cola te koop aanbieden. Want het liep vaak wel uit de hand met geschreeuw en gegooi. De oudere lezers keken daar dan viezig tegen aan, die kwamen klagen aan het bureau inlichtingen en dan ging je er maar weer eens op af en je zei ”jongens, stil, het is hier een bibliotheek en dan moet je dus lezen en niet lastig zijn.”

Ik weet niet hoe het met jullie is, maar ik smul van een tijdreis als deze. Zo’n boek zet de uitdagingen van de 21e eeuw in perspectief. Het maakt me nieuwsgierig naar de tijd die komen gaat. Hoe kijken onze nakomelingen straks aan tegen de strijd die wij vandaag voeren?

Een serie over innovatie en toekomst

  1. De vloeibare samenleving in een stroomversnelling
  2. Toekomstverkennen: het ultieme denken in organisaties
  3. Een houtje-touwtje platformorganisatie en digitale transformatie
  4. Eeuwig in verandering

Deel dit artikel via

Wil je hierop reageren?