Vallen

Geschatte leestijd: 5 minuten

Als hij vantevoren had geweten hoe het allemaal zou lopen, had hij natuurlijk andere keuzes gemaakt. “Always listen carefully to other people, then decide what you will do,” raadde opa mijn neef aan, toen ze in het park wandelden. Die groeide op in een steenrijke textielfamilie in Beverly Hills. Hij kwam materieel niets tekort, maar voor diepzinnige gesprekken zocht hij graag zijn opa op, die hem met een zwaar Russisch accent allerlei levenswijsheden meegaf.

Herman David Bellin verdiende op zijn oude dag de kost achter de naaimachine, als onderaannemer van zijn schoonzoon. Het was begin jaren ’60 en hij bewoonde een piepklein studio-appartementje met twee opklapbedden, aan een drukke weg, down town Los Angeles. Daar zat hij samen met zijn zoon, mijn vader Matthew, die na een mislukte Parijse carrière als toneelschrijver gedesillusioneerd naar hem was teruggekeerd. Echt gezellig hadden ze het niet. Matthew had weinig op met zijn vader, die in zijn jeugd altijd meer belangstelling had getoond voor zaken dan voor zijn gezin.

Business

Vaste lezers van mijn blog herinneren zich misschien het succesverhaal dat ik eerder over hem schreef. De American Dream: de minderjarige vluchteling had zich in twintig jaar tijd opgewerkt van arme immigrant tot textielmagnaat. Zijn kinderen groeiden op in weelde. Maar zestig jaar later was hij blijkbaar terug bij af. Waar was het misgegaan?

Begin jaren ’30 gingen de zaken nog goed. Hoewel de economie finaal was ingestort, hield Herman David zich staande door zich te richten op het goedkopere segment van de hoedenmarkt. Hij leende steeds meer geld uit aan noodlijdende collega-ondernemers. De stapel ooit te innen cheques groeide en groeide. Sylvia en de kinderen kwamen niets te kort, in het luxueuze appartement in West Manhattan. Maar spannend was het. Overal gingen zaken failliet. Herman David maakte lange dagen en gunde zich nauwelijks tijd om te eten en te slapen.

Catskills

Hoe voelde mijn oma Sylvia zich bij de situatie? Ze was in 1900 geboren in een rijke familie en bewoog zich als een vis in het water in de stedelijke upper class. Maar was ze gelukkig? In de zomer van 1938 ging ze, net als massa’s andere New Yorkers, met de kinderen op vakantie in de Catskill Mountains. Herman David bleef voor zaken in Manhattan. In een brief die ze hem schreef lezen we:

Herman dear,

Thanks a lot for the package. The Children are very happy with everything. Brother was looking for sun glasses. He said you promised to send them.

I certainly felt badly when I learned you weren’t coming up for the week-end but I certainly understand that you know what is best.

Yesterday we took a ride to Tannersville and certainly must say that the “Grand Hotel” is by far a hundred times more superior than the “[onleesbaar] Lodge”.

Herman dear, don’t get discouraged that business hasn’t stated as I know you are going to have a good season.

I was reading in the paper about Sak’s Fifth Avenue going a ten percent increase in salary. I imagine that is a very good sign.

How do you feel? Take care of yourself and try to eat in time.

Thank God the Children are getting along beautifully. Cannot tell you how happy I am that I brought them up here but the only regretful thing about that you cannot be with us.

Herman dear being we are only going to be here for one more week. Try if possible to come out at least for Thursday so you will have four days of a much need relaxation. Will close now hoping this message finds you well with lots of love, hugs kisses from Rhoda, Matthew and Sylvia. Remain always your loving wife Sylvia.

Niet lang daarna ging Herman David failliet. De enorme stapel cheques bleek oninbaar.

California

Het geld was op en het gezin moest het dure appartement verlaten. Sylvia nam met de kinderen haar intrek in een eenvoudiger woning in de 86th Street. Ze vond een baantje als winkelbediende. Herman David vertrok naar Los Angeles, om daar opnieuw te beginnen. De stapel oninbare cheques ging mee. Hij liet zich niet kisten! In zijn jonge jaren had hij het als vluchteling niet makkelijk gehad, deze tegenslag zou hij ook wel weer te boven komen. Geen hoeden maar badpakken ging hij daar produceren, in dat nieuwe beloofde land, waar de filmindustrie voor nieuwe welvaart zorgde.

Ik heb ze er nooit naar kunnen vragen, maar het lijkt erop dat de kinderen Rhoda en Matthew er een romantisch avontuur in zagen. Hun vader was het gezin vooruit gegaan en zij droomden alvast over een nieuw leven aan de glamorous Westkust. Daar konden ze af en toe al een glimpje van opvangen in de bioscoop. In 1939 schreef de tienjarige Matthew een brief aan zijn vader.

Dear Daddy,

How do you feel? I feel fine. How is business? I hope it is all right. I got my report card and did better than last month. I got work B conduct B+. I am going to do better next month. I’ll get A just wait.

I went to the movies and saw “Idiote Delight” with Clark Gable. And I saw “Ambush” and I saw “Stage coach”. They were all good pictures. Did you see the San Fransisco Worlds fair? Remember the picture we saw Emile Zola I am listening to it now.

I hope that get started in business soon.

Your son Matthew XXXXXXXXXX

Maar hoe was het voor Sylvia om er plotseling alleen voor te staan met de kinderen? Om voor het eerst in haar leven te moeten werken en gelijk ook kostwinner te zijn? Hoe was het om in een winkel niet de klant te zijn maar de winkeljuffrouw? Was het moeilijk om af te kicken van de luxueuze levensstijl? Maakte ze schulden? Kon ze de huur wel betalen? Wat was bijvoorbeeld de reden dat ze op 5 juni 1940 naar het Mayflower Hotel ging, waar ze vroeg om een appartement te mogen bezichtigen?

Het Mayflower Hotel aan het Centralpark. In 2005 werd het afgebroken.

Vallen

In de New York Times verscheen op 6 juni 1940 een treurig bericht.

Tante Jessie

Rhoda en Matthew kwamen terecht in het gezin van hun tante Jessie. Maar Mrs. Samuel Fine of Woodmere zat helemaal niet te wachten op deze kinderen en ze verweet haar zwager Herman David de dood van haar zus en nog meer nalatigheid. Niet totaal onbegrijpelijk. Herman David was niet teruggekomen voor zijn kinderen, maar ging verwoed door met de start van zijn nieuwe onderneming aan de Westkust. Als hij die zaak maar eenmaal op poten had, dan zou het geluk weer terugkeren. Pas dan had hij zijn kinderen weer wat te bieden. Toch?

Always listen carefully

In 1945 was de Tweede Wereldoorlog voorbij en had Herman David een winstgevende onderneming opgebouwd in Los Angeles. Rhoda trouwde met een textielfabrikant in die contreien. Matthew trok in bij zijn vader, maakte in Los Angeles zijn school af en ging daarna studeren in Berkeley. Eind goed al goed? Niet echt. Het verleden bleef een pijnlijke open wond in hun levens. Het verstoorde hun onderlinge verhoudingen en hun verhoudingen met anderen. Herman David begon langzaam te beseffen hoe de dingen gelopen waren en wat zijn aandeel was. Misschien was dit de reden om zijn kleinzoon deze goede raad te willen meegeven: “Always listen carefully to other people, then decide what you will do.”

De stapel oninbare cheques werd teruggevonden in opa’s boedel toen hij in 1975 overleed. We houden ze in de familie. Je weet maar nooit.

Blogserie over Herman David Bellin

  1. De jongste
  2. Hoeden die het loodje leggen
  3. Vallen

Zware kost

Geschatte leestijd: 4 minuten

Er komen lelijke verhalen uit het Midden-Oosten. Bloedige, gewelddadige verhalen, die zich afspelen in Gaza, Israël en de bezette gebieden. De wreedheden, het leed en het onrecht maken me boos en verdrietig. Ook maak ik me zorgen om het oplevende antisemitisme dat hierdoor gevoed wordt.

1987

Eind jaren ’80 volgde ik aan de UvA een reeks keuzevakken Joodse Geschiedenis en leerde een beetje Hebreeuws. Ik had geen binding met Israël, maar des te meer met de rijke migratiegeschiedenis van het Joodse volk in de diaspora. Toen begon in 1987 de Intifada en alle ogen waren gericht op Israël. Wij studenten en docenten plaatsten kritische kanttekeningen bij de historische rechtvaardiging van het politieke zionisme. Klopte het verhaal van Israël wel? Het was zware kost. Hoe was te rechtvaardigen dat joden van buiten Israël geboorterechten kregen toegekend, die de inheemse Palestijnse bevolking ontzegd werden? Hoe kon het, dat Palestijnse families die al generatieslang op de Westelijke Jordaanoever woonden, van hun land verdreven werden? Wat bleken er een foeilelijke verhalen te bestaan, naast alle wonderlijk mooie verhalen van het Joodse volk.

1492

Er was ooit een tijd en een plaats waar zich ook zo’n lelijk verhaal afspeelde, met dat verschil, dat moslims én joden verdreven werden en christenen de agressoren waren. Bij de eenwording van Spanje in 1492 bepaalden de nieuwe christelijke machthebbers Ferdinand en Isabella dat er voortaan geen plaats meer was voor andere geloven. Joden en moslims moesten het land verlaten waar zij al vele generaties woonden en – overigens met lokale christenen – een rijke Andalusische cultuur deelden. De gemeenschap spatte in alle richtingen uiteen. Een groep Sefardische joden week uit naar Portugal en vestigde zich niet lang daarna in Nederland. Een andere groep vertrok samen met hun moslimburen naar Marokko. Daar integreerden zij, maar ze raakten niet volledig geassimileerd.

Naar schatting drie tot vijf miljoen van de huidige Marokkanen hebben Andalusische roots. En, al is er inmiddels een half millennium verstreken, nog altijd leeft die Middeleeuwse Zuid-Europese cultuur voort in hun muziek, in hun gerechten, in hun enigszins Europese uiterlijk. En niet in de laatste plaats in een diep gevoeld verdriet, dat generatie op generatie werd doorgegeven en zo de 21e eeuw bereikte.

2021

Maar let op, nu komt het. In onze tijd en plaats kwam er uit dit leed een wonderbaarlijk mooi nieuw verhaal tevoorschijn. Acht jaar geleden ontstond er een bijzondere vriendschap tussen twee Nederlanders, Rick Leeuwestein en Hicham Ghalbane. Zij vonden elkaar in de liefde voor die oude Andalusische fusion cultuur en fascinatie over het drama dat zich daar eind vijftiende eeuw voltrok. Het tweetal smeedde een ambitieus plan, dat resulteerde in een groots boek over de Marokkaanse nakomelingen van de joodse en islamitische bannelingen.

Zware kost! Wel vier kilo weegt hun salontafelboek, dat zo kolossaal is, dat ik het liever lees aan de eettafel. De storytellers pur sang bezochten veertig Marokkaanse families, moslims en joden, die afstammen van de vluchtelingen van toen, op zoek naar de verhalen over hun identiteit. De indrukwekkende interviews zijn opgeluisterd met betoverende foto’s van Hicham Ghalbane.

Ibrahim Ben Ali

Eén verhaal springt eruit. In 1490, twee jaar voordat moslims en joden daadwerkelijk verdreven werden, voelde Ibrahim Ben Ali, een welgesteld architect uit Granada, de onafwendbare dreiging op zich afkomen die het nieuwe christelijke regime met zich meebracht. Hij wilde zijn familie in veiligheid brengen, maar emigratie was op dat moment nog verboden. Samen met zijn zoon smeedde hij een listig plan. De mannen zetten een openbare familieruzie in scene. Er werd een groots diner aangericht, waar de plaatselijke elite voor werd uitgenodigd. Vader en zoon speelden hun toneelstukje meesterlijk. Ben Ali was zogenaamd diep gegriefd door de beledigingen die zijn zoon hem toevoegde en voelde zich gedwongen de stad te verlaten.

Ben Ali verkocht al zijn bezittingen en in het diepste geheim nam hij de hele familie mee naar het zuiden. Het gezelschap stak de Straat van Gibraltar over en vestigde zich in Chefchaouen in het Rifgebergte, waar hij direct een moskee bouwde. Twee jaar later, toen de grote uittocht begon, waagden andere Andalusische vluchtelingen deze oversteek. Zij vestigden zich in hetzelfde district, dat Rif Al-Andalus zou gaan heten. Zo ontstond een nieuwe Andalusische gemeenschap van moslims en joden in Marokko.

Identiteit

Wat doe je met je oude identiteit als je je land ontvlucht en elders een nieuw bestaan opbouwt? Mijn opa, die dat in 1903 deed, schudde zijn oude zelf volledig af en veranderde zijn Russische achternaam in iets neutralers. Pas op middelbare leeftijd, toen zijn leven een dramatische wending had genomen, wilde hij zich weer zijn roots herinneren. Hoe zou dat zijn gegaan bij Ibrahim Ben Ali? Had hij al zijn schepen achter zich verbrand? Dacht hij zich permanent te vestigen in Noord-Afrika? Ik denk het niet.

Rick Leeuwestein en Hicham Ghalbane portretteren in hun boek Abdelghaffar El Akel, die in 1948 werd geboren in Chefchaouen. Tijdens het interview toverde hij een familiestuk tevoorschijn uit een stokoude lederen hoes. Het zware voorwerp was van generatie op generatie doorgegeven in de familie: de sleutel van het huis in Granada, dat Ibrahim Ben Ali in 1490 hals over kop had verlaten. Want ooit zou die ballingschap toch wel voorbij zijn? Dan moesten zijn nakomelingen toch kunnen terugkeren naar het huis dat hij had moeten achterlaten?

Children of Al-Andalus

Afgelopen vrijdag was ik aanwezig bij de boekpresentatie van Children of Al-Andalus. Het boek ligt sindsdien permanent opengeslagen op onze eettafel, zodat we erin kunnen bladeren, ons kunnen vergapen aan de kleurige foto’s, er telkens een klein stukje in kunnen lezen. Tja, en dineren doen wij voorlopig dan maar op de bank. Gezellig op zijn Marokkaans.

De boekpresentatie van Children of Al-Andalus, met fotograaf Hicham Ghalbane.

Hoeden die het loodje leggen: over de bedoeling van organisaties

Geschatte leestijd: 3 minuten

Als mijn Nederlandse opa, geboren in 1904, als kind huisarrest kreeg, ging zijn pet achter slot en grendel. Dat was de beste garantie dat hij niet de straat op zou gaan. Want je liep compleet voor schut met een onbedekt hoofd. Heren droegen hoeden, jongens en knechten droegen petten. Hoofdbedekking was net zo vanzelfsprekend als schoeisel.

American Dream

Mijn andere opa, in 1888 in Kiev geboren en in 1903 naar de VS geëmigreerd, werkte in die periode in de hoedenmakerij, in de Lower East Side in Manhattan. De textielindustrie was booming en de massa’s Oost-Europese emigranten maakten er lange dagen in sweatshops. Maar de hoedenmarkt liep juist minder goed. Mannen gingen steeds vaker blootshoofds de straat op. De branchevereniging van hoedenmakers deed aanvankelijk nog pogingen om het tij te keren, met voorlichtingscampagnes waarin werd gewezen op de vermeende gezondheidsgevaren van een bloot hoofd. Maar het mocht niet baten, de hoedenmarkt werd definitief een stuk kleiner.

Herman David Bellin (1888-1975) met zijn vrouw Sylvia Alexander (1900-1940) en hun kinderen Rhoda (1925-2003) en mijn vader Matthew (1928-2020)

Mijn opa werkte zich via de American Dream in korte tijd op van vluchtelingenjongetje tot fabrieksdirecteur. In de jaren ’20 maakte hij hoeden en ze verkochten goed. Hoe kon dat? Hij bediende een andere markt. De Roaring Twenties waren aangebroken, en frivole dameshoedjes deden het prima! Ook na de Beurskrach van 1929, tijdens de massale verarming in de Great Depression, kon hij zijn hoedjes nog goed kwijt op de markt. Hij specialiseerde zich toen namelijk in het goedkopere segment. Maar eind jaren ’30 viel het doek alsnog. Toen raakte het dameshoedje uit de mode. Hij had geen alternatief product op de markt en ging failliet.

Markt en bestaansrecht

Het bestaansrecht van ieder bedrijf is te vinden in de markt, in de buitenwereld. Je kunt de markt beïnvloeden en bespelen, maar uiteindelijk ben je afhankelijk van de keuzes van je klanten en daar zul je je op moeten richten. Een commercieel bedrijf dat de ontwikkelingen in de omgeving niet serieus neemt, dat niet meebeweegt, tekent zijn eigen doodvonnis. Legendarisch is bijvoorbeeld de ondergang van fotorolletjesfabrikant Kodak, die de digitale camera uitvond, maar deze niet in productie wilde nemen omdat zijn eigen product daardoor beconcurreerd zou worden. De digitale camera brak toen via een andere route door en Kodak ging prompt failliet.

Maatschappelijke organisaties, die vaak geen winstoogmerk hebben, hebben ook klanten met wensen en belangen. Maar het regulerende mechanisme werkt daar vaak trager en minder goed. Zo kan het gebeuren, dat deze organisaties als logge, geïnstitutionaliseerde bedrijven in hun eigen werkelijkheid blijven leven. Ze zijn zich onvoldoende bewust van veranderingen in de buitenwereld en zien bedreigingen en kansen over het hoofd. Hun inspanningen zijn niet effectief, ze bieden hun klanten niet wat die werkelijk nodig hebben. Ze werken bovendien vaak inefficiënt en kosten de subsidieverstrekker daardoor onnodig veel geld. Merkwaardig genoeg zijn mensen die er werken zich hier vaak niet van bewust.

De bedoeling

Het doel van iedere organisatie is haar voortbestaan. Ze zal er alles aan doen om in leven te blijven. Maar voor dat bestaansrecht is de bedoeling van belang. Die bedoeling ligt buíten de organisatie en is te vinden in maatschappelijk nut en in stakeholderbelangen. Ze zal dan ook de bedoeling scherp in het vizier moeten houden om het doel (dat voortbestaan) veilig te stellen. Dat kan betekenen dat ze op zeker moment andere dingen moet gaan doen, of de oorspronkelijke dingen op een andere manier moet gaan doen.

En dat is lastig. Management en medewerkers denken en handelen vanuit de logica van hun eigen systeem. Zo’n organisatiesysteem wil blijven bestaan zoals het is en het geeft zichzelf graag bevestiging dat het goed bezig is. Men doet de dingen die men doet “nou eenmaal”. Die voelen zinvol, omdat ze de identiteit van de organisatie uitmaken. Als de situatie van een organisatie verandert, verandert die interne logica niet zonder slag of stoot mee. Men heeft hart voor de zaak en doet zijn werk naar eer en geweten, maar de organisatie raakt meer en meer losgezongen van de werkelijkheid.

Vroeg of laat valt een systeem dat niet meebeweegt door de mand. Klanten blijven weg of de subsidiekraan wordt dichtgedraaid. Of de puber gaat lekker toch chillen met vrienden, terwijl zijn pet ligt te verstoffen in de kast.

Verdraaide organisaties

Een mooi boek over die ontsporing van veel maatschappelijke organisaties, over doel en bedoeling, is Verdraaide organisaties van Wouter Hart. Hierin zet hij uiteen hoe de zogenoemde “systeemwereld”, de logica binnen de organisatie, vervreemd is geraakt van de omringende “leefwereld” van klanten en andere stakeholders. Lees het boek, of lach gewoon eens hardop om de metafoor van het campingtafeltje en snap in één keer waar de schoen wringt. Over hoe je een geïnstitutionaliseerde organisatie kunt terugleiden naar de bedoeling schreef Wouter een tweede boek: Anders vasthouden.

Blogserie over Herman David Bellin

  1. De jongste
  2. Hoeden die het loodje leggen
  3. Vallen

Eeuwig in verandering

Geschatte leestijd: 6 minuten

De enige constante in een organisatie is verandering, schrijft veranderkundige Jaap Boonstra. Nu ik een dagje ouder word kan ik daarvan meepraten. Ga met mij mee op een reis door de tijd.

In 1991 werkte ik in een bibliotheek in Amsterdam-Noord. Een fijne plek, waar je boeken kon lenen, kon deelnemen aan jeugdactiviteiten, informatievragen kon stellen en kranten kon lezen. Het kleine maar drukke filiaal was net geautomatiseerd. Maar de imposante mainframe computer ging regelmatig down en dan brak de pleuris uit. Stiekem genoot ik daarvan, want nood breekt wet. Het was dan pompen of verzuipen en dat schiep ruimte voor initiatieven en experimenten.

Ik sta hier aan de innamebalie in Nieuwendam, met het instabiele GEAC uitleensysteem

Argusogen

De collega’s die het voor het zeggen hadden stamden uit de bloeitijd van het bibliotheekvak. In de jaren ’70 hadden zij de toen nieuwe hbo-opleiding gevolgd. Ze bewaakten hun fundamenten en bestreden de vermeende uitholling van hun vak. De nieuwlichterij die de nieuwe directeur introduceerde, bekeken zij met argusogen. Dat was begrijpelijk, want hij streefde naar een lager opleidingsniveau in de directe dienstverlening. De werkzaamheden in de filialen werden vereenvoudigd. De massa’s hbo-geschoolde bibliothecarissen vochten om de weinige ‘bibliotheektechnische’ werkzaamheden die overbleven. Ze zagen met lede ogen hoe er steeds meer geautomatiseerd en gestandaardiseerd werd. Nieuwe medewerkers wierf men op mavo/mbo-niveau en voor hen kwam er een nieuwe, eenvoudiger bibliotheekopleiding.

Ik was in 1991 een van de laatste ‘overgekwalificeerde’ medewerkers die nog een vaste aanstelling kregen. Als jongste medewerker, behorende tot een generatie die vrijwel afwezig was in de organisatie, was ik min of meer buitenstaander. Ik was de ‘verbaasde kabouter’ in het team, en stelde soms regels en procedures ter discussie die in mijn ogen inefficiënt of klantonvriendelijk waren. Vaak waren dat compromissen tussen oude en nieuwe logica’s, tussen analoge en digitale werkwijzen. Zo bleef naast de geautomatiseerde reserveringen nog jarenlang een omslachtig systeem met kaarten in gebruik. De twee systemen zaten elkaar in de weg en sommige klanten moesten eindeloos op hun boek wachten. Toch duurde het jaren voordat zo’n oude werkwijze definitief het veld ruimde.

De seventies

De gevestigde orde had het moeilijk met het no nonsense-regime van de nieuwe directie, en dan voerde ik als jonkie ook nog eens strijd met ze, van opzij en van onderop. Maar deze generatie was in de jaren ’70 natuurlijk zelf óók jong, groen en kritisch begonnen. De twintigers van die tijd  voerden hun eigen strijd tegen de toenmalige machthebbers. Hilarische voorbeelden daarvan zijn te lezen in het iconische boek Werk. Martin Schouten interviewde in 1976-1977 tientallen mensen, werkzaam in de meest uiteenlopende beroepen. Zij vertellen over “hun vak, hun baas, hun collega’s, hun publiek en over hun leven – wat ze zich ervan voorgesteld hadden en hoe het geworden is,” zo vermeldt de kaft. De interviews lijken opgetekend zonder al teveel redactiewerk en de geïnterviewden nemen geen blad voor de mond.

Geniet met mij mee van de dynamiek in de Openbare Bibliotheek Amsterdam in die jaren. Lees bijvoorbeeld hoe de jonge jeugdbibliothecaresse Neeltje Stork een knellende procedure omzeilde:

Toen ik de jeugdafdeling had moest ik dus boeken kopen op zo’n boekbespreking. Ik had een keer een boek uitgezocht dat ik hebben wou, een platenboek over treinen. Bij mij in de buurt was een school bezig met een project over treinen, maar het was niet zo’n bijzonder boek en ik was het enige filiaal dat het wou hebben, er stonden grote platen in en dat had ik nodig. Toen werd er gezegd: sorry, we gaan dat boek niet alleen voor jouw afdeling aanschaffen, want dat moet dan helemaal in het systeem worden ingewerkt en dat is het geld niet waard.

Toen heb ik dat boek zelf gekocht en ik heb het mijn afdeling ten geschenke gegeven. Ik stuurde het als geschenk naar de boekbewerkingsafdeling, het werd ingewerkt en toen kwam het voor de tweede keer op de boekbespreking. Want geschenken gaan ook via de boekbespreking. Nou! Daar staat dat boek alweer! Hoe komt dat hier? Ja, zei ik, dat komt van mij, ik heb het mijn eigen filiaal ten geschenke gegeven. Nou! Heilige verontwaardiging. Godverdomme! Dit is nog nooit gebeurd, dat je eigen assistentes achter je rug om boeken aanschaffen, dit is werkelijk te slim en te link om los te lopen. Toen had ik het dus wel heel erg verbruid, daarmee heb ik me een hoop tegenwerking op mijn hals gehaald.

Censuur!

In een ander fragment lezen we hoe er tegen collectievorming en censuur aan werd gekeken, in een tijd dat de verzuilde samenleving één geheel probeerde te worden. De richtingenstrijd rond de fusie met de rooms-katholieke openbare bibliotheek, is… nou ja, verrassend te noemen:

Dat is nog een hele strijd geweest. Want die openbare bibliotheek had dus eerst wel degelijk een opvoedkundig principe, dat je de mensen een beetje cultuur bij moet brengen. Dat was het sfeertje toen ik er bij kwam werken. Maar toen is er een fusie gekomen met de katholieke openbare bibliotheek en die hadden dus boeken als Angélique, een en al drama. Bij ons stond dat niet in de bibliotheek, dat was afgekeurd als slechte rotzooi. Pim Pandoer en Pietje Bell, dat was er helemaal niet, maar dat was wel in die katholieke bibliotheek. Dus toen die fusie er door kwam moesten ze veren laten, moesten ze deze boeken ook binnenhalen. Eindeloze discussies zijn daarover geweest. Dat was met de strips precies hetzelfde: hele oorlogen van dames die ervoor en dames die ertegen waren. Maar het was niet te stuiten, het kwam toch binnen.

En toen kwam op een gegeven moment het sexboek, dat is een enorme vlaag geweest. De kaartjes van de sexboeken waren na een week al krom en beduimeld, die boeken gingen dus heel regelmatig weg. Je kreeg ook dat boek Variaties. Dat werd vrij kalm ontvangen, maar we werden er wel over aangesproken als het op de aanwinstentafel lag. Dan werd tegen ons gezegd dat het schokkend was en dat we zoiets niet op tafel konden zetten. Dan zeiden we: ja goed, dat hebben wij niet in de hand, dat komt van hogeraf en het schijnt nou eenmaal te moeten, maar we zijn het volkomen met u eens, dat kan ook eigenlijk niet. Ja ja, dat is toch wel vervelend voor u dat u dat soort boeken moet uitlenen. Die serie is afgesloten met een boek vol variaties voor homofielen en lesbiennes, dat stond ook op de aanwinstentafel. Een dame stond dat hevig geïnteresseerd in te kijken, zag dus al die houdingen, en die draaide zich om naar haar man en zei: ‘Leo, weet je – ze zoenen mekaar ook nog.” dat soort dingen te zien, dat vond ik wel spannend.

Maar al dat suikergoed, leesvoer was het. En daar moest je ook aan omdat de subsidie op een gegeven moment gekoppeld werd aan het aantal leden en uitleningen. Daarvoor moesten we dus ook wel een klein beetje aanschaffen wat het publiek wou, want daar werd om gevochten hoor; het werd commerciëler. Je mocht eerst maar drie boeken meenemen en toen mocht je onbeperkt meenemen, want hoe meer uitleningen hoe meer subsidie. Dus gingen de mensen met zulke stapels weg en ze kwamen na een week ook met dezelfde stapels terug. Dat hadden ze beslist niet gelezen, dat was waanzin. Ik werd er stapelgek van, je moest alleen nog maar boeken in de kast zetten, je had geen tijd meer om vragen te beantwoorden. Als je ’s avonds thuiskwam en je lag in bed, dan lag je nog die boeken op te ruimen. En in de uitlening liep je eigenlijk alleen nog maar de mensen af te snauwen, als ze lastig werden. Terwijl, in het begin dat ik er werkte kon je nog alle aandacht aan ze besteden. Dan kwam er zo’n klein mannetje, gebogen en oud: heeft u nog een paar detectives? Dan zocht je wat detectives en dan kreeg je een zakje bonbons van hem en dan kwam hij drie weken later weer met een zakje bonbons. Je besteedde aandacht aan zo’n man, hoe het ging met zijn been en zijn kleinkinderen. Dat vond ik het fijnste van het vak.

Huiskamer

En sommige dingen zijn van alle tijden. Lees in dit laatste fragment over de huiskamer van de stad:

Die bibliotheek schijnt in de levens van een heleboel mensen een hele vaste plaats in te nemen. Het is een soort café, een sociëteit. Echt van: vrijdagmiddag ga ik naar de bibliotheek om Vrij Nederland  te lezen, of de Groene of de Haagse Post. Het is een huiskamer en een stamcafé. In Geuzenveld, waar toentertijd nog helemaal geen jongerencentrum of café was, zag je aan de leestafel hele romans van jongelui die mekaar daar vonden. Afspraakjes in de bibliotheek.

Ik had er al eens een paar keer opgemerkt: je moet er een flipperautomaat neerzetten en coca-cola te koop aanbieden. Want het liep vaak wel uit de hand met geschreeuw en gegooi. De oudere lezers keken daar dan viezig tegen aan, die kwamen klagen aan het bureau inlichtingen en dan ging je er maar weer eens op af en je zei ”jongens, stil, het is hier een bibliotheek en dan moet je dus lezen en niet lastig zijn.”

Ik weet niet hoe het met jullie is, maar ik smul van een tijdreis als deze. Zo’n boek zet de uitdagingen van de 21e eeuw in perspectief. Het maakt me nieuwsgierig naar de tijd die komen gaat. Hoe kijken onze nakomelingen straks aan tegen de strijd die wij vandaag voeren?

Een serie over innovatie en toekomst

  1. De vloeibare samenleving in een stroomversnelling
  2. Toekomstverkennen: het ultieme denken in organisaties
  3. Een houtje-touwtje platformorganisatie en digitale transformatie
  4. Eeuwig in verandering

Een studenten-10!

Geschatte leestijd: 2 minuten

Iedereen heeft zo zijn eigen manier om jong te blijven. De een gaat er met een vrouw vandoor die zijn dochter had kunnen zijn, de ander neemt dagelijks een duik in zee. Zelf stortte ik me in 2019 in het studentenleven. Ik begon dat jaar aan een reeks modules Bedrijfskunde en de teller staat nu op zeven.

Tentamen

Er zat vandaag een gekartonneerde envelop bij de post, met als afzender de Open Universiteit. Had ik het tentamen Kwaliteits- en Procesmanagement soms gehaald? Ik scheurde een roomwit certificaat tevoorschijn. In de begeleidende brief stond dat ik een 6 had. “Dat is een studenten-10,” zei mijn studerende dochter, die weet hoe ze deze 54-jarige kan vleien.

De leerstof van de cursus was boeiend en waardevol, maar de proeftentamens vond ik lastig. Je moest in open vragen parate kennis ophoesten: afkortingen, definities, opsommingen. Vervolgens moest je die kennis toepassen op casusbeschrijvingen. In de nachtmerrie die aan het tentamen voorafging kreeg ik dan ook dit soort vragen voorgeschoteld: Uit welke 15 fases bestaat HFTB? In welke daarvan is sprake van QYOP? Welke 17 voordelen en 36 nadelen van QYOP noemt het cursusboek? Op welke 9 aspecten verschillen deze van de voor- en nadelen die in de reader genoemd worden? Welke daarvan herkent u in casus 8D? Zou u het management QYOP of juist HRTM® adviseren? Hoe zou u dit advies onderbouwen? Het werkelijke tentamen, dat ik de volgende ochtend aflegde, leek hier verdomd veel op. Dus je begrijpt dat ik apetrots ben op mijn zesje en bovenal opgelucht dat ik niet op hoef voor een herkansing.

Papers

Maar waar ben ik nou eigenlijk trots op? Ik heb het stampwerk er voor mijn leeftijd redelijk vanaf gebracht. En de transfer van die parate kennis naar casussen lukte me ook wel aardig. Maar toch bevredigt dit niet optimaal. Andere vakken moest ik afsluiten met papers over echte casussen. Zo analyseerde ik voor Human Resource Management het in-, door- en uitstroombeleid van een maatschappelijke organisatie en deed ik suggesties voor strategisch en duurzaam personeelsbeleid. Voor de module Gedrag in Organisaties onderzocht ik in samenwerking met twee anderen de professionele relaties binnen een fusieorganisatie in de onderwijswereld. Voor Politicologie voor Management analyseerde ik de publiek private samenwerking in de bibliotheekwereld en verdiepte ik me in de wordingsgeschiedenis van het Bibliotheekconvenant dat in oktober 2020 werd gesloten. In deze onderzoekjes heb ik kennis en ervaring opgedaan die me goed van pas komt bij mijn advieswerk.

Evidence Based Consultancy

Afgelopen week ben ik begonnen met het volgende vak: Organisatieadvisering en -coaching. De module wordt afgesloten met drie producten, waaronder een adviesstuk dat tot stand moet komen volgens de principes van Evidence Based Consultancy. Het gaat daarbij om bedrijfskundig advies, dat systematisch onderbouwd wordt met wetenschappelijke evidentie, terwijl de meer intuïtieve benadering, die in de consultancy gebruikelijk is, ook op waarde geschat wordt. Dit belooft weer een mooie exercitie te worden! Ik heb al enkele opdrachtgevers op het oog, maar heb graag keuze. Neem dus vooral contact met me op als je me in jouw organisatie zou willen laten wroeten.

Meer over mijn studie en werk lees je in Wie ben ik?

Mijn 2020 op een rijtje. Is that all there is?

Geschatte leestijd: 2 minuten

Ik had mijn fiets op nieuwe banden getrakteerd en kuierde een paar dagen door Nederland. In het zonnetje, tegen de harde koude noordenwind in trappend, droomde ik de merkwaardige gebeurtenissen van 2020 op een rijtje. Een jaar geleden stierven binnen twee maanden allebei mijn ouders. Tussendoor verloor ik mijn baan en begon de pandemie. Een duivelse samenloop van omstandigheden… 

Stel je voor dat ik van tevoren had geweten wat er allemaal in het verschiet lag. Ik had me geen raad geweten en natuurlijk had ik wanhopige pogingen gedaan om de geschiedenis een andere wending te geven. We kunnen niet in de toekomst kijken en dat is maar goed ook. 

Achteraf was die periode van een ongekende schoonheid. Mijn moeder overleed in februari, net op tijd om corona niet te hoeven meemaken. Omdat ik begin maart mijn baan verloor, had ik hoofd en handen vrij om de nalatenschap te regelen. In april overleed ook mijn vader.  De serene stilte van de lockdown voelde toen weldadig. Al mijn verdriet kon ongestoord de ruimte nemen die het nodig had. Ondertussen zag ik hoe andere oude en kwetsbare mensen door het virus bedreigd en gegijzeld werden. Ik was ronduit dankbaar dat mijn ouders veilig dood waren. Eerder dan ik had verwacht kon ik me weer goed concentreren en me op de toekomst richten.  

Op schoot bij mijn Amerikaanse vader Matthew Bellin (1967).

Op mijn moeders uitvaart draaiden we het nummer “Is that all there is?” van Peggy Lee, uit 1969. Ze vertelt en zingt daarin over levensgebeurtenissen die anders voelen dan verwacht. Erge dingen blijken mee te vallen, dingen waar je reikhalzend naar uitkeek vallen juist tegen. Het is naar mijn overtuiging de kunst om geen expliciete verwachtingen te hebben van de toekomst, maar haar wel met vertrouwen tegemoet te treden. Wat ook helpt, is af en toe stil te staan bij het wonderlijke verhaal waar je in terechtkwam toen je geboren werd. En vergeet nooit om nieuwsgierig te zijn naar elke volgende episode in je leven.