Sinds 2021 ben ik zelfstandig tekstschrijver en bedrijfsjournalist. Daarvoor werkte ik lange tijd in een maatschappelijke organisatie.
Zolang ik me kan herinneren neem ik al graag schrijfklussen op me. Met een analytische blik en de juiste woorden breng ik denkprocessen en discussie op gang. Feiten, getallen en gebeurtenissen gaan pas leven zodra mensen het erover hebben. Ze krijgen betekenis in hun onderlinge samenhang. Hoe die samenhang eruitziet, daarover verschillen mensen van inzicht. Er ontstaan verschillende narratieven over hoe het zit en waar het heen moet.
Als ik in opdracht schrijf, geef ik de gedachten en ideeën van anderen aan ze terug in de vorm van een samenhangend geheel. Het is hún verhaal, waarover ze zeggen: precies, dát is wat ik bedoel. Nog mooier wordt het, als ik die verhalen koppel aan grotere verhalen in de wereld. Een gezamenlijk verhaal geeft moed en hoop in onzekere tijden. Om mijn narratieve vaardigheden verder te ontwikkelen volgde ik een cursus creatief schrijven en een post-bachelor opleiding storytelling. Sindsdien gebruik ik elementen van storytelling, die de teksten verrassend en spannend maken en de boodschap krachtig overbrengen.
Ik neem graag opdrachten aan die om bedrijfskundige kennis vragen. Zo’n tien jaar geleden raakte ik geïnteresseerd in strategische vraagstukken en organisatieontwikkeling. Ik las meer dan 100 managementboeken en volgde een reeks universitaire modules bedrijfskunde. Organisaties moeten met elkaar samenwerken en taaie maatschappelijke vraagstukken aanpakken. Dat is de enige manier waarop ze hun voortbestaan veilig kunnen stellen in ons uitdagende tijdperk, leerde ik. Om dat te kunnen, moeten ze diepgaand veranderen. Maar dat is lastig. Een organisatiecultuur is immers geworteld in het verleden, in de rijke geschiedenis die management, medewerkers en omgeving met elkaar delen.
In 1991 begon ik in de Openbare Bibliotheek Amsterdam, als werkstudent geschiedenis. Ik deed informatiespeurwerk voor klanten, hield collecties op peil en gaf bibliotheeklessen aan schoolklassen. Maar tien jaar later raakte de bibliotheekwereld in zwaar weer. Mensen lazen steeds minder boeken en deden hun eigen speurwerk op internet. De bibliotheek moest zichzelf radicaal opnieuw uitvinden om niet ten onder te gaan. Die existentiële uitdaging prikkelde mij. Ik droomde van een ander type bibliotheek, met een nieuwe maatschappelijke relevantie. Een bibliotheek die onmogelijk wegbezuinigd kon worden, omdat er dan een heel kaartenhuis zou instorten.
In 2007 ging ik weer studeren. Ik volgde een pabo-opleiding en een universitair studieprogramma psychologie en onderwijswetenschappen. De kennis die ik opdeed zette ik in voor mijn werk in de OBA en in vrijwilligerswerk.
Voor de Voorleesexpress ontwikkelde ik een training interactief voorlezen en schoolde ik honderden vrijwilligers. Ik zette met zeven kinderopvangorganisaties een Amsterdamse pilot op van het leesbevorderingsprogramma Boekstart in de kinderopvang. Verder werkte ik mee aan de uitbreiding van het bibliotheekaanbod met zogenaamde makerspaces: werkplaatsen waar jongeren oefenen met digitale technologie en 21e eeuwse vaardigheden.
In mijn vrije tijd werkte ik met de Vlaamse studiegroep EduRatio aan een passend onderwijsaanbod voor leerlingen met een leervoorsprong. Wij verzorgden workshops voor leerkrachten, via het Centrum Nascholing van de Universiteit Antwerpen. Ik gaf daar presentaties over verborgen leervoorsprong, over de ambigue rol van succeservaringen en over begrijpend lezen.