De mijmerende tekstschrijver

Geschatte leestijd: 2 minuten

✔ Rustige werkkamer

✔ Professioneel zit/stabureau

Maar wat heeft een tekstschrijver nou écht nodig?

Stedelijk eiland

Halverwege mijn werkdagen stap ik op de fiets. Weesp is maar klein, een stedelijk eilandje in het groen. Je bent dus in een ommezien omringd door weidse vergezichten. Ideaal voor vruchtbaar mijmerwerk.

Vorige week maakte ik een ommetje langs de Vecht. Ik reed de vesting uit en stak de N236 over. Na een lange rij woonboten leidde het riviertje me naar rechts. Autogeluiden verstomden, het landschap werd dromerig, de tijd verdween in de eeuwigheid. Rechts zag ik boerderijen en velden vol schapen, links wuivende rietpluimen. Er dobberden zwanen, de Vecht glinsterde onder een winterzonnetje.

Leidseplein in het veenlandschap

Na enkele kilometers rees er plots een reusachtig bouwwerk op. Ik stapte af en bekeek het kasteelachtige gebouw. Het was opgetrokken uit rode bakstenen en versierd met lichte ornamenten. Het had een leistenen dak en droeg een torentje. Dit was zo’n bouwsel dat best aan het Amsterdamse Leidseplein had kunnen staan. Maar het stond hier, in het veenlandschap. Zwaanwijck heette het, las ik op de toegangspoort.

Zwaanwijck

Even later reed ik door de Dorpsstraat van Nigtevecht en stuitte op een sierlijke dorpspomp. Op het weelderige smeedijzeren praalwerk las ik “Anno 1893”. De marmeren sokkel vermeldde dat de pomp een geschenk was van Johanna Theunissen, weduwe van Martinus Nicolaas de Pré.

De dorpspomp in Nigtevecht

Langs het Amsterdam-Rijnkanaal reed ik terug naar huis. Daar tikte ik in Google: nigtevecht zwaanwijck de pre.

Echtelieden

In 1880 trouwde de Amsterdamse geldhandelaar De Pré met zijn twintig jaar jongere dienstbode Johanna Theunissen. In 1883 namen ze een vierjarig nichtje in huis. De echtelieden hadden grootse bouwplannen: een villa in neo-renaissancestijl op de achttiende-eeuwse buitenplaats Zwaanwijck bij Nigtevecht. Maar in 1892 overleed Marinus aan cholera, opgelopen door vervuild drinkwater uit de Vecht.

Het echtpaar De Pre-Theunissen met nichtje Johanna

In 1893 schonk Johanna een pomp aan het dorp en voorzag het daarmee van veilig drinkwater. De villa werd voltooid in 1897, maar twee jaar daarna overleed Johanna, 49 jaar oud. De villa liet ze na aan een stichting ter huisvesting van Nederlands Hervormde alleenstaande oudere vrouwen.

Van Amsterdam naar Weesp

Geschatte leestijd: 3 minuten

Er is een Achterom, een Achteromstraat en een Achteromdwarsstraat. Een Herengracht, een Oudegracht en een Achtergracht. Een Sleutelsteeg, een Hanensteeg, een Kapelsteeg en een Kerksteeg. Maar ook een Heer Elbertsteeg, een Claes Dellsteeg en een Jan Boutsteeg. Als de straten zo heten, moet een stadje haast wel oud zijn.

fusie weesp amsterdam
De Hoogstraat in de jaren 1910, gezien vanaf het forteiland Ossenmarkt (bron: klik op de afbeelding)

Naar Weesp

Weesp kwam op mijn pad toen ik dit jaar het roer omgooide. Enkele maanden na mijn start als zelfstandig tekstschrijver verhuisde ik van het drukke Amsterdam naar een knusse vintage portiekflat in Weesp. Vlakbij het station en op een steenworp afstand van de schilderachtige grachtjes.

Zompige veengrond

Tot halverwege de middeleeuwen gebeurde er weinig met de zompige veengrond van Holland en Utrecht. Maar tijdens de Grote Ontginning streken er schapenhouders, jagers en een enkele boer neer in het gebied. Her en der ontstonden nederzettinkjes. Eén zo’n gehucht, rond een dam in de Amstel, groeide uit tot Amsterdam. Verderop, aan een ander riviertje, ontstond Weesp.

In de late middeleeuwen verwierven de beide veendorpjes stadsrechten en kregen ze steeds meer economische betekenis. Amsterdam kreeg een belangrijke haven, Weesp brouwde bier met het schone water uit de Vecht. Na de middeleeuwen kozen de prille Hollandse stadjes ieder een eigen richting.

Ondernemen

Ondernemende immigranten uit de zuidelijke Nederlanden namen tijdens de Reformatie de Amsterdamse economie over. Weesp begon met jenever stoken.

In de 17e eeuw hulde het steeds rijker wordende Amsterdam zich in de Grachtengordel, een pompeuze kraag van statige herenhuizen. Weesp groef even buiten de stad een bescheiden Achtergracht en liet een bedrijvig nieuw buurtje verrijzen: Nieuwstad.

Amsterdamse kooplieden verrijkten zich met koloniale wereldhandel. In Weesp vestigde zich een stel wevers, dat met gesubsidieerde weefgetouwen een Weespse lakenindustrie moest beginnen. Zij kregen een eigen straatje, dat nog altijd als Wollenweversbuurt op de kaart is te vinden.

Speelbal

Amsterdam en Weesp lagen maar dertien kilometer van elkaar. Maar veel meer dan Amsterdam was Weesp eeuwenlang speelbal van territoriale conflicten. Ter verdediging wierp de stad in 1672 vier bastions op en verschanste zich achter een singelgracht.

fusie weesp amsterdam
Weesp in 1812 (bron: klik op de afbeelding)

Begin 19e eeuw werd Weesp opgenomen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Van rijkswege kreeg het oude centrum in 1861 een lomp torenfort in de maag gesplitst. En in 1892 werd Weesp onderdeel van de Stelling van Amsterdam.

Thuis

In korte tijd ben ik me helemaal thuis gaan voelen in Weesp. Ik ben lid geworden van de bibliotheek en leen daar boeken over de lokale geschiedenis. Eindeloos slenter ik langs grachtjes en door steegjes. Zo ga ik steeds beter snappen hoe het er was. En hoe het er is. Ik wil hier niet meer weg.

Terug

Maar toch keer ik op 24 maart 2022 terug in de schoot van Amsterdam. Mijn nieuwe woonplaats, dit verrassend lieve oude stadje, fuseert dan namelijk met zijn grote broer. Weesp gaat verder als stadsgebied binnen de hoofdstad. Het dappere vestingstadje aan de Vecht verliest na al die jaren alsnog zijn zelfstandigheid.

Bijna alles ging zoals het hoorde

Geschatte leestijd: 3 minuten

Opgroeien is een heel gedoe. Je maakt dingen mee, je leert hoe het hoort en alles is nieuw. Het wordt allemaal razendsnel normaal, zodat je direct weer wat nieuws aankunt. Op die manier wen je ook aan rare dingen.

Hoe het hoort

Ik stond er verloren bij, tussen de krioelende kinderen die een oorverdovende herrie maakten. Maar toen trok de juf een meisje tevoorschijn. Ze had lang steil haar, rustige, vriendelijke ogen en een volwassen jurk. “Marja laat je alles zien, zij zit ook nog niet zo lang op de kleuterschool.” Aan Marja’s hand verkende ik de verwarrende nieuwe wereld. Het scharenblok (“Altijd meteen terugzetten”). Het fonteintje (“Niet spetteren bij het handenwassen!”). De schildersezel (“Eerst vragen!”).

Later die dag zat ik achter de schildersezel (eerst gevraagd). Er kwamen drie grote meisjes om me heen staan, die me streng toespraken. “Dat is fout, wolken horen blauw!” “Nee hoor,” wierp ik tegen, “wolken zijn wit, de lúcht is blauw.” De meisjes stapten boos naar de juf. “Ze doet niet wat wij zeggen!” De juf zette haar vinger onder mijn kin en dwong me haar aan te kijken. “Altijd doen wat de grote kinderen zeggen!”

Memory lane

Vriendinnen werden we toen niet, Marja en ik. Maar als we elkaar vijftig jaar later terugvinden via internet, is er direct een klik. En we hebben beiden zin in een walk down memory lane. Dus spreken we op een druilerige ochtend af in Amstelveen.

Het Amstelveense Augustinuspark met de Paaskerk

Ons oude buurtje is vertrouwd en vreemd tegelijk. De bomen zijn gegroeid, de flats gekrompen. De straten en grasvelden zijn uitgestorven. Het wonderlijkste is wel de imposante heuvel waar de Paaskerk in beider herinnering op gebouwd was. Die blijkt nauwelijks heuphoog te zijn.

Een nette buurt

Bijna alles in het Augustinuspark, onze Amstelveense nieuwbouwwijk rond die iconische Paaskerk, ging zoals het hoorde. Zo verlieten de vaders ’s morgens de galerijflats naar hun werk op Schiphol. De moeders maakten het huis schoon en dronken sherry. Mijn werkende moeder viel dan ook uit de toon. Waar andere kinderen een vader, een moeder en een broer of zus hadden, had ik een moeder en een of ander vaag verhaal over een vader in Amerika. Toen ik een keer tegen een muurtje aan het voetballen was, beet een buurman mij toe “Jullie horen hier niet, jij en je moeder!”

Maar ik had het fijn thuis en alle buurkinderen waren welkom. Els mocht haar schoolknutselwerkjes bij ons op de piano zetten. Haar moeder gooide die namelijk altijd meteen weg, ze wilde geen troep hebben in haar nette huis. Thijs, met een hazenlip en een eeuwige snotneus, liep vaak op blote voeten en hoefde nooit op tijd thuis te zijn voor het eten. Hij mocht altijd bij ons aanschuiven om een vorkje mee te prikken. De keurige moeder van Els vond dat maar niks en versperde hem soms de toegang tot onze galerij.

Het is gaan motregenen. Marja en ik zetten een capuchon op en slalommen tussen de betonnen flats en huizenblokken. De wandeling roept namen en anekdotes op. Fijne herinneringen en minder fijne. Sommige zijn ronduit verbijsterend. Omdat alles nieuw en vreemd was, leerden we het allemaal normaal te vinden. Ook bijvoorbeeld, dat sommige kinderen het thuis niet fijn hadden.

Melinda en Berry

Hoewel ik een beetje anders was, hoorde ik er helemaal bij in de klas. Wie er niet bij hoorde en zelfs gepest werd, was Melinda. Ze was klein van stuk, kon niet goed leren en rook naar pis. Maar ik vond haar lief. Ze woonde op drie hoog in een portiekflat verderop, aan de rand van de buurt. Toen ik eens na school met haar mee de trap op liep om bij haar te spelen, kwamen we niet verder dan de tweede verdieping. Scheldend en tierend gooide haar moeder met schoenen naar ons.

We hadden ook Berry. Hij was groot en gespierd, kon goed leren en droeg nette kleren. Gepest werd hij niet, we bewonderden hem zelfs een beetje. Berry was namelijk ontzettend flink. Als hij heel veel pijn had, vertrok hij geen spier. Niemand was ooit bij hem thuis geweest. En hij speelde nooit bij een van ons, want dat mocht niet van zijn ouders. Eén keer was Berry wel met iemand meegegaan. Voor straf had hij de hele winternacht buiten moeten doorbrengen. Daar vertelde hij luchtig over.

Ouder worden

Pas als onze wandeling er alweer bijna opzit, praten Marja en ik elkaar snel nog even bij over al die jaren na onze schooltijd. Zij zette vier kinderen op de wereld, ik twee. Haar kinderen groeiden op in een eengezinswoning in Utrecht, de mijne op een bovenwoning in Amsterdam. Allebei denken we dat we het best goed gedaan hebben, als normale ouders zeg maar. Maar wie bepaalt dat eigenlijk? Hoe kijken de klasgenoten van toen terug op hun jeugd? Hoe doen zij het met hun kinderen? En hoe kijken onze kinderen straks terug op de nesten die wij voor hen bouwden?

Disclaimer: namen en details heb ik veranderd om herkenning te voorkomen.

Gascrisis

Geschatte leestijd: 3 minuten

In 1974 was ik zeven jaar en ik piekerde graag over volwassen onderwerpen. Een onheilspellend reclamespotje van de Rijksvoorlichtingsdienst toonde een wereldbol die als een kaars opbrandde. Een ernstige stem waarschuwde dat de fossiele brandstofvoorraad eindig was, en spoorde aan er verstandig mee om te springen. Gloeilampen en beeldbuistelevisies vraten stroom, die onrendabel werd opgewekt in gascentrales. En de huizen waren nog helemaal niet geïsoleerd.

Onze gaskachel verwarmde alleen de woonkamer, die enkel glas had. De slaapkamers van onze flat uit 1961 bleven koud. Er lagen in de winter drie zware wollen dekens op mijn bed. Ik kreeg ’s avonds een warme kruik mee en mijn pyjama mocht ik voorverwarmen op de kachel. Als het gevroren had, stonden er ’s morgens ijsbloemen op de ruiten.

Zuinig

gascrisis

We stookten natuurlijk voor de mussen, maar mijn moeder was zuinig met water en gas. Eén keer per week ging ik in bad. De andere dagen moest ik me wassen aan de kraan. Maar mijn oma vond warm stromend water verspilling. Ze legde me uit dat een wastafel vroeger een échte tafel was, met een bakje water erop, zonder kraan of afvoer. De moderne wastafel liet ze mij ook zo gebruiken. En ze deed niet aan decadente moderniteiten als een douche of een geiser.

Als ik het onheilspellende reclamespotje zag, of naar de poster van de brandende aardbol keek die in de klas hing, probeerde ik me een voorstelling te maken van de toekomst. Als ik de vijftig gepasseerd zou zijn… bestond ik dan eigenlijk nog wel? Of was die brandende aarde dan allang onleefbaar geworden? De details kreeg ik niet op mijn netvlies maar ik zag vage toekomstbeelden, met nóg koudere huizen, voedseltekorten en sociale ontreddering, die ik baseerde op verhalen over de hongerwinter.

Bericht uit de toekomst

Inmiddels is het 2021. Ik ben 54 en ik leef nog! Als verslaggever toekomst ga ik de kleine Janneke uit 1974 vertellen hoe het dagelijks leven er in de 21e eeuw uitziet. Ze hangt aan mijn lippen, ze is zo benieuwd! “Hoe koud zijn de huizen geworden, grote Janneke? Zitten we er nog wel warmpjes bij in 2021?” Ik zwijg en vraag me af wat ik haar in vredesnaam moet vertellen over deze krankzinnige tijd. Hoe ga ik vertellen over global warming, klimaatafspraken en energietransitie? Over Groningen en aardbevingen? Over van het gas af? Over de keuze tussen kolen-, gas-, biomassa- en kerncentrales? Over landschappen met windturbines en zonnepanelen?

Ik denk terug aan de wastafelkwestie uit 1974 en besluit daar te beginnen. Ik vertel haar dat we weliswaar de kraan niet meer laten lopen tijdens het tandenpoetsen, maar dat het wél de norm is geworden om iedere dag te beginnen onder een warme douche. Die duurt gemiddeld negen minuten. We laten daarbij tientallen liters schoon drinkwater het riool in lopen en verstoken tot wel een halve kuub gas. Ze kijkt me ongelovig aan.

Ik vertel dat er nu goed geïsoleerde woningen worden gebouwd, met zonnepanelen op het dak en een warmtepomp. Maar arme mensen zijn in slecht geïsoleerde en gas verwarmde huurhuizen blijven wonen en de gasprijzen zijn dit jaar geëxplodeerd. Bijna iedereen heeft nu centrale verwarming, maar arme mensen laten hem uit omdat ze de huur en de boodschappen al nauwelijks kunnen betalen. En arme mensen in Groningen, wier huizen langzaam instorten door zestig jaar gaswinning, zijn dubbel de pineut. Kleine Janneke kijkt me vol afgrijzen aan.

Fleece

Dan wikkel ik de kleine Janneke in mijn warme, lichte en fluweelzachte ‘woondeken’. Die kocht ik onlangs voor een tientje, om er ’s avonds onder weg te kunnen duiken, zodat de thermostaat niet zo hoog hoeft. “Over een paar jaar,” fluister in haar oor, “wordt dit wonderbaarlijke spul uitgevonden. Het heet fleece en ze maken het van aardolie. Het is veel zachter en warmer dan schapenwol. Als het nat wordt, is het zo weer droog en het kost haast niks. Je hebt er dekens van, truien, mutsen en zelfs een soort overalls om in huis te dragen. Maar als je het wast komen er microplastics in het water en die komen terecht in de voedselketen.” Kleine Janneke geeft geen antwoord. Ze is gelukzalig in slaap gevallen.

Namenmonument

Geschatte leestijd: 3 minuten

Is het aan jou om het verhaal van de ander te vertellen? En maakt het dan nog uit of het een gruwelijk klein verhaal is binnen het Grote Verhaal van de Holocaust?

Blog

Vanaf januari 2021 schreef ik iedere week een blog. Je kon er de kalender op gelijk zetten. Maar twee maanden geleden werd het stil op mijn site. Ik rondde wat werkzaamheden af voor de school die het niet cadeau krijgt en deed tussen de bedrijven door nog een kleine adviesopdracht. De rest van de zomer was ik in de weer met aannemers, Ikeakasten en verhuisdozen, om eind augustus aan een nieuw leven te beginnen in Weesp.

Daar zat ik dan, in mijn ruime werkkamer, aan mijn nieuwe professionele elektrisch verstelbare zit/stabureau. De verhuisdozen waren uitgepakt, ik had weer tijd en ruimte om een blog te schrijven. Maar het lukte niet, er kwam niets, was dit een writer’s block? En ik had nog wel zo’n mooi onderwerp. Ik wilde schrijven over de prachtige opdracht die tussen de bedrijven door op mijn pad was gekomen.

Thea

Thea was in 1952 geboren en werd vernoemd naar een ver familielid. Haar naamgenote liep haar leven lang zwijgend met haar mee. Een vrouw zonder gezicht, een jaar of dertig oud, in een vooroorlogs decor. Thea wist dat bijna alle Joodse familieleden in Auschwitz waren vermoord, maar de familie ging het onderwerp liever uit de weg. Ze kende enkele anekdotes uit de levens van haar ouders en grootouders, maar de verhalen vormden geen geheel. En met de jaren stierven alle mensen die haar meer hadden kunnen vertellen.

Auschwitz

In 2019 bezocht ze de Holocaustherdenking. En daarna Auschwitz, waar ze de gruwelijke geschiedenis liet binnenkomen. Terug in Nederland dook ze in de archieven. En zowaar, in de vorm van namen, datums en woonadressen verschenen ze: al die mensen die – keurig gedocumenteerd – in 1943 systematisch gedeporteerd en vermoord werden. Van de bejaarde Heintje Bobbe tot de eenjarige Klara Bachrach. Thea’s nog jonge moeder had die baby begin 1943 in handen gedrukt gekregen van de wanhopige moeder Chancie, maar zij had de zorg niet aangedurfd. Het hele gezin, inclusief de hoogbejaarde oma van Chancie, werd in 1943 vergast in Auschwitz en Sobibor. Ook Thea’s naamgenote kwam in beeld. Klara’s grote zus Thea bleek geen vrouw van dertig, maar een meisje dat niet ouder was geworden dan vijf. Zo kreeg de Thea van toen een definitieve leeftijd en een gezicht: het huilende snoetje van een kleuter die niet op de familiefoto wilde.

namenmonument
Chancie Bachrach-Gottlieb, Abraham Bachrach, de kinderen Thea en Hijman en grootmoeder Feige Feldberg-Marcus

Een klus

Begin september belandde het document op mijn professionele zit/stabureau: de familiegeschiedenis die Thea schreef voor haar kleinkinderen. Van verschillende kanten had zij te horen gekregen dat het relevant was voor een groter publiek, maar het moest wel geredigeerd worden. Wat een prachtige opdracht, ik voelde me vereerd. Het werd snel duidelijk dat het me vele uren zou kosten om de familiegeschiedenis voor een groter publiek geschikt en interessant te maken. Zou Thea misschien een fonds kunnen vinden voor de bekostiging? Ik stelde voor dat we samen op zoek zouden gaan.

Namenmonument

Afgelopen zondag werd het Namenmonument geopend voor de 102.000 vermoorde Joden, Sinti en Roma uit Nederland. De families Bachrach en Bobbe waren de weken daarvoor veel in mijn gedachten geweest. Zij kregen in mijn hoofd nu gezelschap van die ontelbare andere slachtoffers. Ik staarde met betraande ogen naar mijn scherm en besloot dat het gewoon niet ging. Dit was mijn rol niet in hun verhaal. Maar wat was dan wel mijn rol?

Adriana Johanna

Ik ging naar het Holocaust Namenmonument en tikte op goed geluk mijn eigen voornamen in: Adriana Johanna. Die bleek ik te delen met slechts één van de 102.000 slachtoffers. Een kind dat niet ouder werd dan twaalf. Zij, alle vier haar broers en zussen en haar ouders werden in 1943 vermoord. Adriana Johanna de Boers, haar moeder Margaretha, haar broertje Louis en zusjes Bloeme en Sientje, stierven op 9 april 1943 in Sobibor, haar oudere halfbroer Izak op 2 juli. Eerder dat jaar, op 26 januari, was hun vader Maurits, lompenkoopman uit Amsterdam, vermoord in Auschwitz. Ik adopteerde haar naam. Daarna belde ik Thea om de opdracht terug te geven. Thea had alle begrip voor mijn keuze. Sterker nog, ook zij had besloten met ons project te willen stoppen.

De wereld van de gymzaal

Geschatte leestijd: 3 minuten

In schoolgidsen heet het “lichamelijke opvoeding”. In de gymzaal leren kinderen allerlei fysieke vaardigheden. Maar ze komen daarbij vaak zichzelf en de ander tegen. De gymles confronteert een kind soms hard met zijn karaktereigenschappen. Hoe gaat de 21e eeuwse gymleraar daarmee om?

Zeespiegel

Is water goed of slecht? Een hint: Nederland is wereldberoemd om zijn strijd tegen het water. Busladingen toeristen vergapen zich in de Beemster aan de landbouwgrond die in de zeventiende eeuw werd veroverd op de zeespiegel. Maar die zeespiegel slaat terug! Inmiddels weten we dat we de rivierdelta op termijn terug moeten geven aan de zee. Tegelijk staat de Achterhoek te verdrogen en krijgt een Zuid-Europees klimaat. Inheemse bomen zijn er ten dode opgeschreven. Dus wat is water nou, goed of slecht? Vriend of vijand? Houd die vraag even vast, ik kom er straks op terug.

De schoolwereld

De afgelopen weken werkte ik voor een nieuwe opdrachtgever, een Amsterdamse basisschool. Ik voerde gesprekken met leerkrachten en andere medewerkers, over hun school en hun vak, over de buurt en de kinderen. Over wat die moeten leren en wat ze van thuis meekrijgen. Het waren prachtige ontmoetingen, met bevlogen professionals die verschillende perspectieven met mij deelden.

Minimaatschappij

Het is zo’n school die het niet cadeau krijgt. Veel leerlingen hebben moeite met de Nederlandse taal. Instructie is dan moeilijk te begrijpen, opdrachten worden soms raadsels. Dat maakt leerlingen onzeker en gedragsproblemen liggen op de loer. De leerkrachten krijgen het daarom óók niet cadeau.

Hoe ga je met elkaar om in de minimaatschappij van de school? Hoe neem je samen verantwoordelijkheid voor de sfeer? De school onderwijst sociale vaardigheden met de evidence based methode Kiva. Maar: the proof of the pudding is in the eating. Hoe gaan leerkrachten en leerlingen met elkaar om bij dagelijkse voorvalletjes?

Levendige ogen en harige benen

Als er érgens voorvalletjes voorvallen, is het in de gymzaal. Competitie is er doodgewoon. De gemoederen lopen er vaak hoog op. Je moet soms kiezen: doorbijten en je grenzen verleggen, of angstig aan de kant blijven staan. Je kunt pijnlijk “op je bek gaan”. Soms letterlijk, als je misgrijpt bij het turnen. Soms figuurlijk, als jij de verliezer bent en die ander de winnaar.

Misschien herinner je je de enerverende wereld in de gymzaal nog. De energieke gymleraar, met levendige ogen en harige benen, om zijn nek een stopwatch en een rolfluitje. Lekker scoren bij trefbal. Hoog in de touwen klimmen en het plafond aanraken. Of herinner jij je heel andere dingen? Een atmosfeer vol zweetlucht en galm? Een bal tegen je hoofd, een val uit het wandrek?

Temperament

Ik sprak met de gymleraar van de basisschool die het niet cadeau krijgt. Ieder kind heeft zijn eigen temperament, legde hij mij uit, en dat is goed. Veel kinderen op deze school zijn eerzuchtig en gaan tot het uiterste om hun doel te bereiken. Soms lopen de gemoederen hoog op. Bij gym leren ze hun temperament te hanteren. Hoe ga je om met winnen en verliezen? Er zijn heldere regels, maar de kinderen mogen wel zichzelf zijn. Ze leren omgaan met grenzen in de vrije ruimte. En fanatiekelingen die het aankunnen mogen samen de confrontatie aangaan. Met en tegen elkaar kunnen zij hun grenzen verkennen.

Maar angstige kinderen dan? Kinderen met overgewicht of motorische achterstanden, hoe leren die hun grenzen verleggen? “Angst is goed!” zei de gymleraar. “Angst moet je respecteren.” Een kind beslist zelf wanneer het aan een bepaalde uitdaging toe is. Als je iets niet kunt of durft, betekent dat nog niet dat je het nooit zult kunnen of durven. Iedereen is in ontwikkeling. En een kind dat zijn angst overwint verdient net zo goed een podium als een kind dat een wedstrijd wint.

Een bron van leven

Is fanatisme goed of slecht? Is angst goed of slecht? Is water goed of slecht? Nee. Karaktereigenschappen en water moet je leren kennen en leren hanteren. Je moet ze begrenzen, maar wel voldoende ruimte geven. Ze verdienen respect, ze zijn een bron van leven.