Halverwege mijn werkdagen stap ik op de fiets. Weesp is maar klein, een stedelijk eilandje in het groen. Je bent dus in een ommezien omringd door weidse vergezichten. Ideaal voor vruchtbaar mijmerwerk.
Vorige week maakte ik een ommetje langs de Vecht. Ik reed de vesting uit en stak de N236 over. Na een lange rij woonboten leidde het riviertje me naar rechts. Autogeluiden verstomden, het landschap werd dromerig, de tijd verdween in de eeuwigheid. Rechts zag ik boerderijen en velden vol schapen, links wuivende rietpluimen. Er dobberden zwanen, de Vecht glinsterde onder een winterzonnetje.
Leidseplein in het veenlandschap
Na enkele kilometers rees er plots een reusachtig bouwwerk op. Ik stapte af en bekeek het kasteelachtige gebouw. Het was opgetrokken uit rode bakstenen en versierd met lichte ornamenten. Het had een leistenen dak en droeg een torentje. Dit was zo’n bouwsel dat best aan het Amsterdamse Leidseplein had kunnen staan. Maar het stond hier, in het veenlandschap. Zwaanwijck heette het, las ik op de toegangspoort.
Zwaanwijck
Even later reed ik door de Dorpsstraat van Nigtevecht en stuitte op een sierlijke dorpspomp. Op het weelderige smeedijzeren praalwerk las ik “Anno 1893”. De marmeren sokkel vermeldde dat de pomp een geschenk was van Johanna Theunissen, weduwe van Martinus Nicolaas de Pré.
De dorpspomp in Nigtevecht
Langs het Amsterdam-Rijnkanaal reed ik terug naar huis. Daar tikte ik in Google: nigtevecht zwaanwijck de pre.
Echtelieden
In 1880 trouwde de Amsterdamse geldhandelaar De Pré met zijn twintig jaar jongere dienstbode Johanna Theunissen. In 1883 namen ze een vierjarig nichtje in huis. De echtelieden hadden grootse bouwplannen: een villa in neo-renaissancestijl op de achttiende-eeuwse buitenplaats Zwaanwijck bij Nigtevecht. Maar in 1892 overleed Marinus aan cholera, opgelopen door vervuild drinkwater uit de Vecht.
Het echtpaar De Pre-Theunissen met nichtje Johanna
In 1893 schonk Johanna een pomp aan het dorp en voorzag het daarmee van veilig drinkwater. De villa werd voltooid in 1897, maar twee jaar daarna overleed Johanna, 49 jaar oud. De villa liet ze na aan een stichting ter huisvesting van Nederlands Hervormde alleenstaande oudere vrouwen.
Als mijn Nederlandse opa, geboren in 1904, als kind huisarrest kreeg, ging zijn pet achter slot en grendel. Dat was de beste garantie dat hij niet de straat op zou gaan. Want je liep compleet voor schut met een onbedekt hoofd. Heren droegen hoeden, jongens en knechten droegen petten. Hoofdbedekking was net zo vanzelfsprekend als schoeisel.
American Dream
Mijn andere opa, in 1888 in Kiev geboren en in 1903 naar de VS geëmigreerd, werkte in die periode in de hoedenmakerij, in de Lower East Side in Manhattan. De textielindustrie was booming en de massa’s Oost-Europese emigranten maakten er lange dagen in sweatshops. Maar de hoedenmarkt liep juist minder goed. Mannen gingen steeds vaker blootshoofds de straat op. De branchevereniging van hoedenmakers deed aanvankelijk nog pogingen om het tij te keren, met voorlichtingscampagnes waarin werd gewezen op de vermeende gezondheidsgevaren van een bloot hoofd. Maar het mocht niet baten, de hoedenmarkt werd definitief een stuk kleiner.
Herman David Bellin (1888-1975) met zijn vrouw Sylvia Alexander (1900-1940) en hun kinderen Rhoda (1925-2003) en mijn vader Matthew (1928-2020)
Mijn opa werkte zich via de American Dream in korte tijd op van vluchtelingenjongetje tot fabrieksdirecteur. In de jaren ’20 maakte hij hoeden en ze verkochten goed. Hoe kon dat? Hij bediende een andere markt. De Roaring Twenties waren aangebroken, en frivole dameshoedjes deden het prima! Ook na de Beurskrach van 1929, tijdens de massale verarming in de Great Depression, kon hij zijn hoedjes nog goed kwijt op de markt. Hij specialiseerde zich toen namelijk in het goedkopere segment. Maar eind jaren ’30 viel het doek alsnog. Toen raakte het dameshoedje uit de mode. Hij had geen alternatief product op de markt en ging failliet.
Markt en bestaansrecht
Het bestaansrecht van ieder bedrijf is te vinden in de markt, in de buitenwereld. Je kunt de markt beïnvloeden en bespelen, maar uiteindelijk ben je afhankelijk van de keuzes van je klanten en daar zul je je op moeten richten. Een commercieel bedrijf dat de ontwikkelingen in de omgeving niet serieus neemt, dat niet meebeweegt, tekent zijn eigen doodvonnis. Legendarisch is bijvoorbeeld de ondergang van fotorolletjesfabrikant Kodak, die de digitale camera uitvond, maar deze niet in productie wilde nemen omdat zijn eigen product daardoor beconcurreerd zou worden. De digitale camera brak toen via een andere route door en Kodak ging prompt failliet.
Maatschappelijke organisaties, die vaak geen winstoogmerk hebben, hebben ook klanten met wensen en belangen. Maar het regulerende mechanisme werkt daar vaak trager en minder goed. Zo kan het gebeuren, dat deze organisaties als logge, geïnstitutionaliseerde bedrijven in hun eigen werkelijkheid blijven leven. Ze zijn zich onvoldoende bewust van veranderingen in de buitenwereld en zien bedreigingen en kansen over het hoofd. Hun inspanningen zijn niet effectief, ze bieden hun klanten niet wat die werkelijk nodig hebben. Ze werken bovendien vaak inefficiënt en kosten de subsidieverstrekker daardoor onnodig veel geld. Merkwaardig genoeg zijn mensen die er werken zich hier vaak niet van bewust.
De bedoeling
Het doel van iedere organisatie is haar voortbestaan. Ze zal er alles aan doen om in leven te blijven. Maar voor dat bestaansrecht is de bedoeling van belang. Die bedoeling ligt buíten de organisatie en is te vinden in maatschappelijk nut en in stakeholderbelangen. Ze zal dan ook de bedoeling scherp in het vizier moeten houden om het doel (dat voortbestaan) veilig te stellen. Dat kan betekenen dat ze op zeker moment andere dingen moet gaan doen, of de oorspronkelijke dingen op een andere manier moet gaan doen.
En dat is lastig. Management en medewerkers denken en handelen vanuit de logica van hun eigen systeem. Zo’n organisatiesysteem wil blijven bestaan zoals het is en het geeft zichzelf graag bevestiging dat het goed bezig is. Men doet de dingen die men doet “nou eenmaal”. Die voelen zinvol, omdat ze de identiteit van de organisatie uitmaken. Als de situatie van een organisatie verandert, verandert die interne logica niet zonder slag of stoot mee. Men heeft hart voor de zaak en doet zijn werk naar eer en geweten, maar de organisatie raakt meer en meer losgezongen van de werkelijkheid.
Vroeg of laat valt een systeem dat niet meebeweegt door de mand. Klanten blijven weg of de subsidiekraan wordt dichtgedraaid. Of de puber gaat lekker toch chillen met vrienden, terwijl zijn pet ligt te verstoffen in de kast.
Verdraaide organisaties
Een mooi boek over die ontsporing van veel maatschappelijke organisaties, over doel en bedoeling, is Verdraaide organisaties van Wouter Hart. Hierin zet hij uiteen hoe de zogenoemde “systeemwereld”, de logica binnen de organisatie, vervreemd is geraakt van de omringende “leefwereld” van klanten en andere stakeholders. Lees het boek, of lach gewoon eens hardop om de metafoor van het campingtafeltje en snap in één keer waar de schoen wringt. Over hoe je een geïnstitutionaliseerde organisatie kunt terugleiden naar de bedoeling schreef Wouter een tweede boek: Anders vasthouden.
Iedereen heeft zo zijn eigen manier om jong te blijven. De een gaat er met een vrouw vandoor die zijn dochter had kunnen zijn, de ander neemt dagelijks een duik in zee. Zelf stortte ik me in 2019 in het studentenleven. Ik begon dat jaar aan een reeks modules Bedrijfskunde en de teller staat nu op zeven.
Tentamen
Er zat vandaag een gekartonneerde envelop bij de post, met als afzender de Open Universiteit. Had ik het tentamen Kwaliteits- en Procesmanagement soms gehaald? Ik scheurde een roomwit certificaat tevoorschijn. In de begeleidende brief stond dat ik een 6 had. “Dat is een studenten-10,” zei mijn studerende dochter, die weet hoe ze deze 54-jarige kan vleien.
De leerstof van de cursus was boeiend en waardevol, maar de proeftentamens vond ik lastig. Je moest in open vragen parate kennis ophoesten: afkortingen, definities, opsommingen. Vervolgens moest je die kennis toepassen op casusbeschrijvingen. In de nachtmerrie die aan het tentamen voorafging kreeg ik dan ook dit soort vragen voorgeschoteld: Uit welke 15 fases bestaat HFTB? In welke daarvan is sprake van QYOP? Welke 17 voordelen en 36 nadelen van QYOP noemt het cursusboek? Op welke 9 aspecten verschillen deze van de voor- en nadelen die in de reader genoemd worden? Welke daarvan herkent u in casus 8D? Zou u het management QYOP of juist HRTM® adviseren? Hoe zou u dit advies onderbouwen? Het werkelijke tentamen, dat ik de volgende ochtend aflegde, leek hier verdomd veel op. Dus je begrijpt dat ik apetrots ben op mijn zesje en bovenal opgelucht dat ik niet op hoef voor een herkansing.
Papers
Maar waar ben ik nou eigenlijk trots op? Ik heb het stampwerk er voor mijn leeftijd redelijk vanaf gebracht. En de transfer van die parate kennis naar casussen lukte me ook wel aardig. Maar toch bevredigt dit niet optimaal. Andere vakken moest ik afsluiten met papers over echte casussen. Zo analyseerde ik voor Human Resource Management het in-, door- en uitstroombeleid van een maatschappelijke organisatie en deed ik suggesties voor strategisch en duurzaam personeelsbeleid. Voor de module Gedrag in Organisaties onderzocht ik in samenwerking met twee anderen de professionele relaties binnen een fusieorganisatie in de onderwijswereld. Voor Politicologie voor Management analyseerde ik de publiek private samenwerking in de bibliotheekwereld en verdiepte ik me in de wordingsgeschiedenis van het Bibliotheekconvenant dat in oktober 2020 werd gesloten. In deze onderzoekjes heb ik kennis en ervaring opgedaan die me goed van pas komt bij mijn advieswerk.
Evidence Based Consultancy
Afgelopen week ben ik begonnen met het volgende vak: Organisatieadvisering en -coaching. De module wordt afgesloten met drie producten, waaronder een adviesstuk dat tot stand moet komen volgens de principes van Evidence Based Consultancy. Het gaat daarbij om bedrijfskundig advies, dat systematisch onderbouwd wordt met wetenschappelijke evidentie, terwijl de meer intuïtieve benadering, die in de consultancy gebruikelijk is, ook op waarde geschat wordt. Dit belooft weer een mooie exercitie te worden! Ik heb al enkele opdrachtgevers op het oog, maar heb graag keuze. Neem dus vooral contact met me op als je me in jouw organisatie zou willen laten wroeten.
Meer over mijn studie en werk lees je in Wie ben ik?
De ringtone van mijn zakelijke telefoonnummer laat mijn werkweek abrupt beginnen, de dinsdagochtend na Pasen. Een enthousiaste vrouwenstem valt met de deur in huis: “We zijn eigenlijk al in gesprek met andere tekstschrijvers, maar nu hebben we jouw blog gezien en we zijn erg enthousiast! Voor de teksten op onze website hebben we iemand nodig met een onderwijsachtergrond.” Een opdrachtgever die juist mij wil hebben, omdat ze onder de indruk is van mijn teksten. Dat is fijn om te horen. Mijn weblog is mijn visitekaartje. Het is een proeverij voor mijn eerste- en tweedegraads LinkedIn-netwerk, dat hiermee een indruk krijgt van mijn interessegebieden en expertise.
De enthousiaste vrouwenstem blijkt toe te behoren aan Sara, die samen met haar compagnon Meryam een start-up in de steigers heeft staan. “Waar gaat het precies om?” vraag ik, terwijl ik naar een kladblok en een pen graai.
Persoonlijke ontwikkeling
De vrouwen hebben een revolutionair begeleidingsconcept ontwikkeld, dat in het voortgezet onderwijs kan worden ingezet. Sara doet me uitgebreid uit de doeken hoe de programma’s de huidige mentorpraktijk aanvullen. Eén persoon kan al het verschil maken voor een kind, weet Sara uit eigen ervaring. Voor haar was dat juf Iris op de basisschool. Diens enthousiasme stak een vuur bij haar aan en deed haar besluiten om ook het onderwijs in te gaan. En dat vuur wil zij op haar beurt weer overdragen op een nieuwe generatie scholieren.
Start-up
De bevlogen vrouwen werken al vele jaren als docenten en begeleiders in het beroepsonderwijs en het voortgezet onderwijs in de regio Utrecht. Ze putten dus uit professionele praktijkervaring, maar ze nemen ook ervaringsdeskundigheid mee als leerling en moeder. Deze schat aan kennis willen ze verzilveren in hun eigen coachingspraktijk, die een gat in de markt moet vullen. Ze hebben een jaar gewerkt aan de ontwikkeling van hun aanbod. En nu is het de hoogste tijd om ermee de markt op te gaan. Het tweetal zoekt daarom een professionele tekstschrijver, die hun propositie goed onder woorden kan brengen voor verschillende doelgroepen: scholen, leerlingen en ouders.
Ik geniet van Sara’s enthousiasme. Haar missie om verschil te maken in de levens van kinderen herken ik, het is een familietrekje bij Dullemonden. Maar ook voel ik verwantschap met haar vanwege de levensfase van haar bedrijf. Ik volg veel cursussen, webinars en workshops voor startende ondernemers en ontmoet daar anderen rond die spannende stap naar een ondernemersbestaan. Voor sommigen is het nog een vage droom, waar ze schuchter over praten als over een latente kinderwens. Anderen hebben al een bedrijfsnaam, een logo en een website en wachten nu op hun eerste klant. En dan zijn er de veteranen: mensen die al jaren aan het starten zijn, maar nog altijd geen lucratief plekje op de markt hebben weten te bemachtigen.
Ondernemerschap
Sara en ik spreken anderhalf uur over onderwijs en ondernemerschap. Ik merk dat met de inhoud van het gesprek ook mijn rol verandert en ik op een professioneel dilemma afsteven. Ik kan de opdracht natuurlijk aannemen en honderden euro’s verdienen door de gevraagde teksten te leveren. Een succesmomentje voor deze startende ondernemer. Maar is dit voor hún onderneming wel de juiste investering op het juiste moment? Kunnen ze niet beter eerst een gedegen marktonderzoek doen, eventueel begeleid door een starterscoach? Ik spreek mijn dilemma uit en vertel over de scholing die ik kosteloos volgde via FNV Zelfstandigen. Ondernemerscursussen over bijvoorbeeld marktonderzoek en online marketing vergroten de kansen van een start-up aanzienlijk.
Ik heb mijn pen en kladblok inmiddels weggelegd, terwijl Sara juist het ene na het andere blaadje volschrijft met mijn tips. We besluiten de beurzen voorlopig dicht te laten. Ik wil de komende tijd best blijven meedenken met hun plannen. Wie weet kan ik dan in een later stadium alsnog wervende teksten voor ze schrijven. Doeltreffende teksten. Teksten die werken. Teksten die beide bedrijven helpen aan een stevige marktpositie.
De namen Sara en Meryam zijn op verzoek gefingeerd en worden te zijner tijd gewijzigd in de echte namen.
Dat kleine verhaal, van die éne klant, medewerker, leerling, cliënt, patiënt, buurtbewoner, vluchteling, mantelzorger of…. Dat verhaal wil verteld worden. Want daarin zit verborgen wat er echt toe doet, wat er eigenlijk aan de hand is en waar we werkelijk naartoe moeten met onze instituties.
“In de bibliotheek voel ik me als een man zonder problemen”
Soms is één uitspraak, één moment of één beeld genoeg om het geheel te begrijpen. In het kleine verhaal gaat het Grote Verhaal schuil, als een microkosmos.
Achter een computer in de OBA-vestiging in Osdorp zit Ernest Dedou (40) uit Ivoorkust. Met hulp van een OBA-medewerker oefent hij de Nederlandse taal, via het programma ‘Leef en Leer!’, van onder meer de OBA en de gemeente. Hij is vastberaden Nederlands te leren, ook al heeft hij geen verblijfsvergunning gekregen. ’s Nachts slaapt hij in de gemeentelijke bed–, bad–, en broodvoorziening, overdag is hij op Nederlandse les of in de OBA.
„De bibliotheek is als een kerk voor mij”, zegt Dedou. Overal waar hij kwam ging hij naar de bieb: in Leersum, Breda, Doorn en Ter Apel. „In de bibliotheek is het rustig en veilig, hier voel ik me als een man zonder problemen.” Als Dedou hoort dat het aantal vestigingen in de stad ter discussie staat, haalt hij een zin aan van de Malinese schrijver Amadou Hampâté Bâ: „When an old man dies, a library is burning.” (NRC 29-5-2015)
Een verhaal kan jouw zoekende organisatie strategisch vooruit helpen. Dat kleine verhaal kan jullie bestaansrecht aan de wereld tonen.
Een nieuw begin
Ken je (of zoek je) een treffend verhaal, in of rond jouw organisatie? Ben je benieuwd wat het verhaal jou wil vertellen? Zou je er strategisch mee aan de slag willen? Kun je daar hulp bij gebruiken van professionele storytellers? Vertel ons:
over dat kleine verhaal dat jou ter ore kwam
over de strategische uitdagingen van jouw organisatie